|
Mijn hemel, wat een mensenzee,
Opeengepakt net als sardines,
Ik schat zo’n vierduizend plusminus
Hier in dit Groningse Carré
Van peuters, pubers met acne,
Tot professoren en blondines,
Van rijkaards met hun concubines
Tot oudjes met hun AOW
U hebt waarschijnlijk wel een idee
Wat straks te horen en te zien is,
Maar let u anders toch misschien ‘s
Op deze woordendiarree
Want ik rijm elke keer op –ee
En daarna weer op –inus
Van BMW tot limousines,
En daar eer ik twee zangers mee:
Hun poster hangt in elk café,
In buurthuizen en sportkantines,
Chique toiletten, veldlatrines
En dikwijls ook in de moskee. |
Ze zingen mooier op cd
Of bij de arbeidsvitamines
Dan kinderen met Sint Martinus
Op André Hazes RIP
Want zij zijn nog steeds niet passé
En nog geen mens’lijke ruines,
Maar soepel nog als trampolines
Of instant aardappelpuree
Ze horen samen deze twee
Net zoals sinus bij cosinus,
Mijn kater bij drie aspirines,
De keizer bij de keizersnee
Ze zijn nog steeds een coryfee,
Begroet hen daarom met lawines
Confetti ofwel serpentines
Zo dadelijk bij hun entree
Bekend van radio, teevee
En platenkopieermachines
Verschijnen hier nu Rooie Rinus
En Daalemmer, van voren Pé! |